1425
Het Stadboek van 1425 bevat een bepaling dat bij brand de "nootklocke" moest worden geluid. Tot 1895 bleef deze brandklok bij "nood" luiden. Ontdekte de torenwachter brand dan luidde hij de klok en riep daarna door zijn spreekhoorn: "brand"! Bij nacht hing hij een brandende lantaren aan die zijde van de toren waar hij de brand waarnam en bij dag een vlag.
Later, in de 17e eeuw lieten ook de ratelwachten (nachtwakers) dan d.m.v. hun ratels weten dat er brand, dus gevaar, was. In het algemeen werden de klokken ook geluid bij het begin der kerkdiensten, bij begrafenissen, bij feesten en rampen (zie 1627 en 1826).

De torenwachter

De torenwachter werd soms ook wel stadstrompetter genoemd. Gedurende het openen der stadpoorten (meestal bij zonsopgang) gaf de torenwachter n.l. van de toren "geestelijke liederen" ten beste, hetgeen om half elf moest worden herhaald. Als de burgerwacht s middags om half drie op de markt verscheen, moest de torenwachter "de wijsen van enige psalmen ofte musicale en de leerijcke liederen uyt het westerraam blaesen".
De taak van de torenwachter was voorts personen, die de toren beklommen, deze "daarop geleyden ende daarbij blijven soolange sy weder vandaer gaen en oock in "t opgaan haar vermaenen dat sy ghien schaede an de toren doen met snyden ofte graeven inloot ofte andersints".
Omstreeks 1640 hield de torenwachter ook een kroeg in de toren. Maar bij feestelijkheden werd de toren gesloten! Zulks waarschijnlijk omdat men brand en andere onheilen vreesde.