De Groninger schrijver Nico Rost hield in het concentratiekamp Dachau een dagboek bij, waarin hij op 3 maart 1945 's avonds laat noteerde:

"Of de Martinitoren er nog staat? ... voor mij betekent ze: Groningen geboortestad en jeugd, het steeds vertrouwde gevoel van zich thuis voelen, van weer thuis zijn. En het carillon! Ook haar klanken zal ik node missen. Haar muziek geeft me méér, dan ooit een ander klokkenspel, waar ook ter wereld, me geven kan. Ik begin hier waarachtig naar de Martinitoren te verlangen".