stichting martini beiaard - geschiedenis

Geschreven door:

Mr. J. Mein

erevoorzitter van SMBG

(overleden 12 november 2012)

1253
In een kroniek van de abt Menk van het klooster de Bloemhof in Wittewierum wordt voor het eerst melding gemaakt van de Martinikerk. De abt vertelt over "ridders" in Groningen, die in 1253 ruzie hadden met de Gelkingen. Deze ridders hadden "zich teruggetrokken in het klooster van de minderbroeders (dit klooster was gesticht ca. 1245 en was gelegen op de plaats van de huidige Broerstraat); ze versterkten zowel het klooster als de omliggende steenhuizen en bestookten de Gelkingen, die zich in de Martinikerk en de Walburg- en Nicolaaskerk (de A-kerk) bevonden".

Waarschijnlijk is deze Martinikerk met toren in het begin van de 13e eeuw gebouwd. Het was een bakstenen kruisbasiliek in romano-gotische stijl met een ingebouwde toren. Van de voorloper van deze kerk is alleen het beloop van een tufstenen fundering gevonden; hij was waarschijnlijk geheel van tufsteen gebouwd.
Binnen de omtrek van dit tufstenen gebouw zijn paalkuilen gevonden, hoogstwaarschijnlijk van een nog vroegere houten kerk.

Er bestaat een verhaal dat omstreeks 810 (ook wordt wel genoemd 837 en zelfs de tweede helft van de 10e eeuw of begin van de 11e eeuw!) een vikingvloot van 200 schepen op de kust van Friesland landde. De Friezen zouden zijn onderworpen, waarna Groningen zou zijn ingenomen, een kerk aldaar zou zijn verbrand en veel mensen ter dood gebracht, waarna de vikingen in Bedum ene Walfridus en zoon Rotfridus zouden hebben gedood.
Als het verhaal juist zou zijn betekent zulks dat er al in die tijd een kerk (met toren?) in de stad heeft gestaan. Volgens de Quedam Naraccio was dat de St. Walburgkerk, die gebouwd zou zijn ter verdediging van de stad tegen de noormannen. Anderen menen dat het om de Martinikerk ging.

De Martinitoren is genoemd naar Sint Martinus, bisschop van Tours (ca. 326 - 11 november 399), naar wie ook de Dom in Utrecht is genoemd. Het Martinusfeest op 11 november (blijkbaar al in de 14e eeuw in gebruik) herinnert aan deze bisschop.

De eerste toren, waarover we dus iets meer weten, was gebouwd in het begin van de 13de eeuw, terwijl de toren toen binnen in de kerk stond. Het was een romaanse toren, ongeveer 30 meter hoog. Men neemt aan dat op het oud Groninger zegel deze toren staat afgebeeld. Aan de voet was hij ca. 11 meter in het vierkant. Deze toren heeft zo'n 200 jaar bestaan.

1425
Het Stadboek van 1425 bevat een bepaling dat bij brand de "nootklocke" moest worden geluid. Tot 1895 bleef deze brandklok bij "nood" luiden. Ontdekte de torenwachter brand dan luidde hij de klok en riep daarna door zijn spreekhoorn: "brand"! Bij nacht hing hij een brandende lantaren aan die zijde van de toren waar hij de brand waarnam en bij dag een vlag.
Later, in de 17e eeuw lieten ook de ratelwachten (nachtwakers) dan d.m.v. hun ratels weten dat er brand, dus gevaar, was. In het algemeen werden de klokken ook geluid bij het begin der kerkdiensten, bij begrafenissen, bij feesten en rampen (zie 1627 en 1826).

De torenwachter

De torenwachter werd soms ook wel stadstrompetter genoemd. Gedurende het openen der stadpoorten (meestal bij zonsopgang) gaf de torenwachter n.l. van de toren "geestelijke liederen" ten beste, hetgeen om half elf moest worden herhaald. Als de burgerwacht s middags om half drie op de markt verscheen, moest de torenwachter "de wijsen van enige psalmen ofte musicale en de leerijcke liederen uyt het westerraam blaesen".
De taak van de torenwachter was voorts personen, die de toren beklommen, deze "daarop geleyden ende daarbij blijven soolange sy weder vandaer gaen en oock in "t opgaan haar vermaenen dat sy ghien schaede an de toren doen met snyden ofte graeven inloot ofte andersints".
Omstreeks 1640 hield de torenwachter ook een kroeg in de toren. Maar bij feestelijkheden werd de toren gesloten! Zulks waarschijnlijk omdat men brand en andere onheilen vreesde.

1452
Met de bouw van de tweede toren is begonnen in 1452. De toren zou "zoo mogelijk sierlijker en hoger en monumentaler worden dan die van Utrecht"... met een hoogte van goed 120 meter.

1464
Tijdens de bouwwerkzaamheden stortte een deel van de toren in. " en daarnae is ‘t al dele gevallen mytten toerne ende klocken" aldus de Groninger kroniekschrijver Sicke Benninge (1465 - 1530).

1465
De dag na Pasen werd de toren door de bliksem getroffen. De klokken (in 1464 toch deels behouden?) vielen op het gewelf doch: "behielden haeren klanck". (Sicke Benninge).

1468
Op 24 juni stortte de rest van de toren in. "Ende de groote klocken synt de oeren ingevallen ende de kleynen bleven heel". (Van de grote klokken waren de kroonarmen afgebroken.)

“In Festo Johannis
Veertien hondert sestich achte
Viel Sunt Meerten toorn bij nacht
Als de klock den lesten slachte
Sloeg van dren, met machte ".

1469
Op 25 maart werd begonnen met de bouw van de "derde" toren, door een overigens onbekende bouwmeester.

1482
Deze derde toren was al klaar in 1482 en was, op het bovengedeelte na, grotendeels zoals de toren nu is. (Over de bouw van de Dom in Utrecht deed men destijds ca. 60 jaar).

Er is ook wel gezegd dat deze toren pas in 1554 gereed kwam. Hoogstwaarschijnlijk zijn ertussen 1545 en 1554 nog wel wat werkzaamheden verricht aan balustrades, de beelden en de spits.

Groningen stond omstreeks 1480 aan de top van haar macht en rijkdom. Maar de bouw van de Martinitoren moet toch, voor een stad van ca. 15.000 inwoners een gigantisch werk zijn geweest.
Men zegt dat er ruim 1 miljoen bakstenen en ca. 3000 m3 Bentheimer Stein in de toren werden verwerkt! Waarschijnlijk is de Bentheimer steen uit het Graafschap Bentheim deels per schip via het Reitdiep aangevoerd, deels per kar via Coevorden, Gieten en Zuidlaren, waarbij we moeten bedenken dat er destijds nog geen straatwegen waren.

Aan de voet was de toren van 1482 vrijwel vierkant nl. 15.10 bij 15.20 meter. Men bouwde de toren in 1469 verder naar het westen, opdat het schip van de kerk met één gewelfvlak kon worden verlengd. Daardoor kwam de toren tevens in het verlengde van de Oosterstraat te staan.

De spits was met leisteen bedekt en 102 meter hoog en eindigde in een vergulde bol waarboven zich een ruim 16 meter hoog ijzeren kruis verhief, met als windvaan een Sint Martinus te paard (zie 1627). Deze windvaan werd op 12 juli 1548 op de toren geplaatst. De hoogte van deze toren was ca. 118 meter en dus aanmerkelijk hoger dan de huidige toren. Nadat het bovenstuk van deze toren bij de brand van 1577 verloren ging, is dit later (tussen 1619 en 1627) weer opgebouwd. Deze in 1627 vernieuwde toren was, zoals nu, ca. 97 meter hoog.

Omstreeks 1550 werd Albert Uhrwarcker aangesteld; hij moest het "uhrwarck van Sunte Meerten staende holden". Hij woonde in de Tybbengang, welk straatje later Uurwerkersgang heette. (Doopsgezinden werden in de stad Tibben genoemd, vandaar waarschijnlijk Tybbengang).

Vóór de toren lag het z.g. "Officierspleintje".

Zuidelijk naast de toren stonde het oude regthuis (de "Hoofdwacht"). Wanneer de hoofdwacht werd gebouwd is niet bekend, maar er is wel beweerd dat van dit gebouw al melding werd gemaakt in 1338. Anderen menen dat de hoofdwacht is gebouwd in 1509. In het gebouw werden rechtszittingen gehouden, mogelijk tot ca. 1652, toen de benedenverdieping werd ingericht als burgerhoofdwacht. Het gericht Selwerd hield op de bovenverdieping nog zittingen tot 1803.

De hoofdwacht werd tijdens de bevrijdingsdagen in 1945 ernstig beschadigd en is in 1956 geheel afgebroken. Het oude gemeentehuis in Zuidhorn (1916) is een kopie van de hoofdwacht.

Aan de voet van de Martini, voor de hoofdwacht, bevond zich vroeger de kaak of schandpaal, die in 1811 is weggehaald.
In 1891 schreef de archivaris J.A. Feith over de Grote Markt:

"...brengen we in de eerste plaats hulde aan den ruimen blik en den schoonheidszin onzer voorzaten, die, bij het zich vormen der stad nu 7 à 8 eeuwen geleden, terstond in het eerste bewoonde gedeelte een marktplein van zulke regelmatige en grote afmetingen wisten aan te leggen, als waarop geen der steden van ons land in hare oude gedeelten kunnen bogen".

En C.H.Peters, de rijksbouwmeester, was, blijkens een verhandeling in 1904, niet erg te spreken over de aanpak van de bebouwing in de 16e eeuw op de Grote Markt rondom de toren. Hij schreef: "Ter kwader ure heeft men, helaas! echter goedgevonden om de rooilijn van de huizen aan de noordzijde van de Markt en vooral van het gedeelte oostwaarts van de Oude Ebbingestraat, steeds meer vooruit te plaatsen, zoodat de hoofdingang der kerk eindelijk bijna verscholen raakte op een klein pleintje, het z.g. Officierspleintje, dat de ruimte besloeg vanaf het Kreupelstraatje tot aan de toren. En alsof men zoodoende nog niet genoeg misdaan had, werd eindelijk in het jaar 1567 op dat pleintje zelf nog een huis gebouwd, het tegenwoordige koffiehuis aldaar, en eindelijk daarnaast, pal tegen de hoofdingang aan, deze formeel sluitend, nog eene torenwachterswoning! ... Wie waren de ezels, die daarvoor aansprakelijk gesteld kunnen worden? Hun namen toch behoorden geboekt te worden in het register der groote misdadigers en een tijd, waarin de burgers der stad van hun eigen bestuur zóó iets toelieten, zóó iets gedoogden, moet wel ziek zijn geweest". Aldus de kennelijk zeer verontwaardigde Peters.

1577
Op vrijdag 15 maart 1577 was er feest in de stad in verband met het vertrek van de Spaanse troepen. Het had Stad en Lande overigens wel ƒ 200.000, - gekost om deze troepen af te kopen! Een Waals garnizoen van zes vendels, dat, op het punt van de geloofsvervolging, zo lang voor veel leed en overlast had gezorgd en daardoor gevreesd en gehaat was, verliet de stad. Geen wonder dat de stadjers blij waren want: "Deze Waelen waren so kloock int waken, bewaren en nasoocken datter niet één ontquam hoe seer se sich oock verbergden". Abel Eppens (1530-1590), later i.v.m. de geloofsvervolging gevlucht en verblijvend in Emden, schreef in zijn "Der Vresen Chronicon" dat "die heele stad sich ganslicken in blijtscap jae dronckenscap und idelheid overgaf".

Tijdens het feest in de stad werden "Pick ende teervaten ommeheer den marckt ende straten angesteken ende mede durch einige ongenanten oeck sodane vuerwarck op Sunt Meertens toorn onwijselijck angerechtet".

Op de vierde trans van de toren ontstond s nachts om 10 uur brand en is deselve heerlijcke schoene toorn mitsampt dat wijtberuempte klockenspill durch den brandt leijder ommekomen, verneelt eende verdorven", aldus Abel Eppens.

Waarschijnlijk is de brand ontstaan in de galmgaten van de vierde verdieping. "Daar 17 klocken uitgevallen synt en sommygen luyden doet gebeleven bynnen". (Abel Eppens). Het bovenstuk van de toren was tot op het muurvlak uitgebrand. In allerijl bracht men balken en ankers aan om te steunen.

De torenwachter Johan Schoeninck, die op 27 juli 1572 door Burgemeester en Raad van de stad al "streng was vermaent den Dronck tho vermijden", werd ontslagen omdat er voor hem geen plaats meer was op de toren! Hij werd echter later aangesteld als stadstrommelslager.

Er kwam een oproep voor geldelijke steun (tot in het Lantschap Drenthe!) voor de wederopbouw "des verungeluckeden heerlijcken toorens". Op 17 maart is de Martinikerk, de St. Walburgkerk, de A-kerk, de Jacobijnerkerk en de Broerkerk: "de verkundige over de preekstoel geschied". "Elck doe dan het beste, nemende het loon van God". Tot 1619 bleef de toren zo, zonder bovenstuk, staan omdat de collecte niet genoeg opleverde.

Op 27 april al besloot het gemeentebestuur enige nieuwe klokken te laten gieten. Op die dag werd aan de kerkvoogden Siemens en Upkema opgedragen om “ergens waer in de naberlanden en steden van Brabant en Holland klokkengieters te bezoeken over de levering van de benodigde klokken. De heren gingen op stap en op 9 mei 1577 werd een voorlopig contract gesloten met Adriaan Staylaert te Mechelen over de levering van een groot "clockenwarck". Op 21 mei van dat jaar kwam een definitief contract tot stand met ene Hendrick van Trier, afkomstig uit Aken doch verblijvend in Delft. Deze Hendrick van Trier kreeg de opdracht om 10, 11 of 12 klokken te gieten. De grootste klok zou 15.000 of 16.000 pond wegen. De stad zou "spijse en stoffe" leveren.
Hoogstwaarschijnlijk is het aanvankelijk bij drie klokken omdat het geld toen op was.

De grote klok, de Salvator, met een gewicht van 7850 kg en een doorsnede van 2.23 m, werd door Van Trier (Henricus Treveris) op 7 oktober 1577 gegoten in het "giethuis" bij de "Borchstede" (ongeveer op de huidige Rademarkt). Precies een jaar na de brand, op 15 maart 1578, werd de klok in "Sunte Meerten toren upgetogen ende gehangen". De Salvator werd op 29 maart 1578 voor het eerst geluid. Deze Salvator is ruim 2 meter hoog. Aan de ene kant zien we de beeltenis van St. Salvator en een bebaarde kop; aan de andere zijde een bisschop met een mijter. Op de rand staat een krijger met een stormhoed en een vrouwenfiguur alsmede het stadswapen. Het opschrift van de Salvator gaat over de brand van 1577 en vermeldt de namen van de toenmalige magistraten en van de gieter.

Op de Salvator staat o.a. (op rijm):

DO ME- SCHREF 1577 IAER
IN MARTIO DE- DE 15 DACH
S NACHTS O- _ 10 VRE. VERWAER:
DE TORE BRADE MZ GROET BECLACH
ALS DE SOLDATE- WARE- VERTROCKE?
WELCK DOER QUADE PICKVATE- GESCHACH:
VN VERLOERE- HET SCHONE ACCORT VA- CLOCKE ...

(De liggende streepjes staan op de klok voor “N” of “M” of “D”)

1578
De overige klokken werden in 1578 door van Trier gegoten en opgehangen. Zie over een in de A-toren opgehangen van Trier-klok, afkomstig uit de Martini, bij 1676.
De betaling van de klokken geschiedde in termijnen. Pas op 14 oktober 1595 ontving van Trier zijn laatste geld (in obligaties) en wel fl. 2639,00.

1580
In 1580 zijn er door de stad Groningen klokken gehaald uit o.a. de torens in Appingedam, Farmsum, Midwolda en Winsum. Op 6 juli werd een “grothe clocke” van den Dam per schip naar Groningen gebracht en op 11 juli per snik uit Appingedam “4 clocken, een uurwarck en ijzeren doere” Waren dat, zoals Abel Eppens zegt, klokken ter vervanging van de in 1577 verongelukte klokken teneinde weer een carillon samen te stellen of waren ze bedoeld om als metaal te dienen voor benodigd geschut in de strijd tegen de Spanjaarden?

1593
In dit jaar werden twee "uhrwarckwijsers an St.Martentoren zuijden ende westen upgerichtet".

1594
Nadat de stad op de Spanjaarden was heroverd hielden Maurits en Willem Lodewijk op 23 juli een blijde intocht in de stad. Op het carillon speelde de beiaardier Bartold Jansen o.a. het geuzenlied “Wilhelmus van Nassaue”. Er waren toen blijkbaar voldoende klokken om dit lied te spelen!
Vermeld wordt dat tijdens het beleg van Maurits en Willem Lodewijk van de stad de “Onze Lieve Vrouweklok”, de op één na grootste klok in de Martini op 21 juni door een voltreffer werd vernield. (J. van den Broek: Het beleg van Groningen mei – juni 1594 in “Rondom de Reductie” 1994)
Wellicht dat door verder archiefonderzoek nog duidelijk wordt hoeveel en welke klokken in de periode van ca. 1580 – 1660 in de Martini hebben gehangen.

1595
Bij een overeenkomst van 8 maart wordt er tussen de stad en Appingedam overeengekomen dat Appingedam in plaats van de hun afgehaalde klokken, "sullen genieten vijff klocken, waarvan de veere(4) in Sancte Walburgistoren hangen unde de ene in het minder-broederkerkhof ligt". Op 10 maart van dat jaar kreeg Appingedam de klokken en tekent voor ontvangst. Zouden er dan toch meer Damster klokken in de Martini hebben gehangen?

1619
In april 1619 begon men met het weer aanbrengen van de bovenste transen, de pijnappel en het paardje. Dit bovenstuk ontbrak sinds de brand van 1577. Helemaal zo hoog als vroeger werd de toren niet.

1627
Op 17 maart was de herbouw gereed. Het nu groengekleurde bovenstuk werd door de stadsbouwmeester Peters gebouwd. Tussen 1482 en 1577 was de toren nog ca. 118 meter hoog geweest. Na 1627 was de hoogte ca. 97 m en uiterlijk gelijk aan de toren van nu.
Bij een protestantse kerk, meende het stadsbestuur van 1627, paste op de toren geen Sint Martinus als windvaan, maar alleen een paard.
Een ordonnantie van Burgemeesters en Raad van 18 december 1627 bepaalde dat het verboden was bij bruiloften het klokkenspel te laten bespelen als bruid en bruidegom naar de kerk gingen of daarvan terugkeerden.

1634
Op 18 januari worden de voogden van de Martinikerk aangezegd de uurwerken te herstellen.

1639
Op 8 april besluit de Raad van de stad om er nog twee wijzerplaten bij te plaatsen: één aan de noordkant en één aan de oostkant van de toren, zodat er toen vier wijzerplaten waren (zie 1593). Aanvankelijk zaten de wijzerplaten in de nissen van de derde verdieping, nu werden ze hoger geplaatst en wel onder het venster van het torenwachterskamertje.
Omstreeks deze tijd hield de torenwachter ook een kroeg in de toren en had hij "neringhe van toback".

1648
Er was een vacature voor torenwachter. Deze moest zijn: "een eerlijck en befaemt man, geen suijper noch loper". Hij was ook belast met het uitsteken der vanen en had een taak als "stadstrompetter". Enige jaren bleek ene Hendrick Vreburgh het best aan de preuve van hoornblazer te voldoen. Omstreeks 1790 werd Cornelis Auwerda aangesteld onder de voorwaarde dat hij zich ijverig moest oefenen in de muziek en de repetities van het "Collegium Musicum" (een in 1683 opgerichte muzieksociëteit in de stad moest bijwonen!
uwerda kreeg in 1811 wegens bezuinigingen ontslag. Na de Franse bezetting in 1814 werd hij weer aangesteld.
De torenwachter moest wel enig muzikaal talent bezitten want "de torenblazer blies uit het westervenster wijsjes van psalmen en andere liederen". Ook als de torenwachter een of meer ruiters de stad zag naderen blies hij op zijn hoorn, opdat de poortwachters op hun qui vive waren.

1661
Hoger dan de Salvator kwamen de klokjes van het carillon te hangen. Tot het gieten daarvan was door het stadsbestuur op 13 februari 1661 besloten en enige dagen later opgedragen aan Jurjen Sprakel (Jurriaan Spraeckel). Dr. G.A.Stratingh daarover in GVA 1846: "Het blijkt dan uit die stukken (bedoeld is een verzameling contracten en afrekeningen in het archief) dat een zekere Franciscus Hemony, klokgieter te Amsterdam, den 17 februari 1662 van Jurriaan Spraekel, horlogemaker, mede aldaar wonende, heeft overgenomen de door dezen in 1661 van Burgemeesters en Raad van Groningen aangenomen levering van klokken, te weten een accoord van 32 klokken tot 20.000 pond Amst. Gewicht, t pond à 16 st., zo zuiver van slag, spijze en accoord als in de Nederlanden ofte elders kan bevonden worden, tot oordeel van meesters en musicijns". De levering moest geschieden op 21 februari 1663. Zij zijn echter eerst geleverd “den 29 mei 1664, welke hebben gewogen op de Stadswaag 19.560 p. voor 15.644 gulden en 16 stuivers". De laatste aanbetaling door de stad van 17644 gulden en 16 stuivers is pas gedaan in 1668 aan Petrus Hemony, die toen voogd was over de kinderen Franciscus.

1664
Op 29 mei 1664 leverde Hemony 32 klokken af en de eerste bespeling van die klokken vond plaats op 1 oktober 1664. Momenteel hangen er nog 30 Hemonyklokken in de Martinitoren.

1671
Op 22 februari was er een blikseminslag in de toren waardoor een begin van brand ontstond. Petrus Hemony giet nog drie klokken voor het carillon. Ze worden bij de klokken van zijn broer (Franciscus was in mei of juni 1667 overleden) gehangen. Ook de A-kerk werd dit jaar door de bliksem getroffen (1 mei) waarbij de in 1661 geplaatste Hemonybeiaard verloren ging. Na 1671 is er geen carillon weer geplaatst in de A-toren.

1672
Tijdens het beleg van de stad door Bommen Berend (de Bisschop van Münster) in 1672 werden veel kogels en stenen in de stad geschoten. Op zondag 29 juli vond een hevige beschieting plaats waardoor veel mensen werden gedood en veel gebouwen werden beschadigd. Op die dag werd tijdens de dienst in de kerk een bres geschoten in de zuidoosthoek van de toren tussen de tweede en derde trans, waarbij ook het uurwerk en de uurwijzers werden beschadigd. Ook op 14 en 15 augustus ontstond door beschieting schade aan de kerk en de toren.

Dit jaar besluit de Raad om, ter bestrijding van de brand, een waterbak op de toren te plaatsen. Na 1672 werd elk jaar op 17 augustus het ontzet van de stad gevierd. Na 1 januari 1701 (invoering Gregoriaanse kalender in Groningen) was dit feest op de 28ste augustus. Deze nieuwe kalender sprong, vergeleken met de daarvoor geldende Juliaanse kalender, nl. 10 dagen vooruit.
Daags tevoren werden om 18 uur de klokken geluid. Op de feestdag zelf luidde men de klokken om 8, 12, 16 en 20 uur, waarbij ook het klokkenspel werd bespeeld. Tussen 1796 en 1839 werd, i.v.m. politieke verwikkelingen, de 28ste augustus niet plechtig herdacht. Pas in 1839 en daarna werd "de victorie" weer gevierd.

1676
In 1676 en 1677 wordt de schade aan de toren, ontstaan tijdens het beleg in 1672, hersteld. Dr. G.A. Stratingh (GVA 1846): "Volgens een Raadsbesluit van den 2 December 1675 en luidens eene aantekening in het A-kerken Boek (blz.66) is er in Februari 1676 eene klok uit den Martini Toren, welke niet gebruikt werd, genomen en in den A-toren gehangen. De klok was, evenals de andere klokken van den Martini Toren, volgens het op alle gelijkluidende opschrift, in 1578 door Henric Van Trier gegoten".

1686
Op 21 januari werd er een "beëdigd stads-horlogeur aangesteld om t opzicht te hebben over uur- en speelwerk van de toren". Op 15 juli wordt er een reglement vastgesteld voor bedienden van de Martini zoals campanist, de kloksteller en de trompetter.

1699
Bij een blikseminslag op 22 februari ontstaat grote schade aan het klokkenspel.

1700
Op 21 januari besluit het stadsbestuur om een waterbak met twee brandspuiten op de toren te plaatsen. In 1672 had jan van der Heyden de slangenbrandspuit uitgevonden.

1710
Op 12 april stort de A-toren in. Terwijl Zacharias Conrad von Uffenbach, stadsbestuurder van Frankfurt am Main, op de Martinitoren stond en genoot van het prachtige panorama, was plotseling de A-toren verdwenen! Het Schnitger-orgel uit 1697 werd vernield. In 1712 wordt de toren herbouwd.
De magistraat beluisterde ook het carillon van de Martini: "Het klokkenspel werd zeer geprezen maar het spelen viel niet in de smaak daar het door een knoeier gebeurde"!

1744
Er vinden van 5 september 1744 tot 24 mei 1745 herstelwerkzaamheden aan de toren beneden de pijnappel plaats.

1748
De Martini krijgt een zonnewijzer gemaakt door Gerrit Cremer.

1764
Hoger dan de klokken van Van Trier en zuidelijker hangt een kleinere klok (diameter 94 cm en een gewicht van 900 kg), het "Ruimstraatklokje", gegoten in 1764 door J. Borchhard uit Enkhuizen. Het was een hergieting van gebarsten voorganger.
Borchhard woonde tot 1758 in Groningen.
Deze klok werd geluid om de overgang van dag en nacht aan te geven en aldus het tijdstip te laten horen voor de tapperijen en kroegen, die dan ontruimd moesten worden en tevens om het tijdstip van "criminele daden"te markeren. Dergelijke daden, bij nacht begaan, werden zwaarder gestraft.
Het was ook het moment waarop de poorten werden gesloten. In het Stadboek stond dat niemand na 10 uur (9 uur) in de herberg mocht blijven zitten. Het klokje werd ook wel het bierklokje genoemd.

1783
Het stadsbestuur overweegt om een bliksemafleider aan te brengen op de toren. Deze is overigens pas in 1873 aangebracht. In 1752 vond Benjamin Franklin de bliksemafleider uit.

1786
Reparatie van het uur-, speel- en slagwerk.

1788
Andreas van den Gheyn giet nog drie klokken. Eén ter vervanging van een klok van Franciscus Hemony en nog twee nieuwe.

1822
Op de morgen van 8 maart was er weer en blikseminslag op de toren. De directeur van politie P.R. van Wartum werd door een van de pijnappel neerstortend stuk hout dodelijk getroffen evenals een jongeman Geert Bontekoe, terwijl schoenmaker Johannes Kraus zwaar werd gekwetst.
Van Wartum was hoofd van de politie, die toen bestond uit 3 agenten. Voor de nacht waren er ratelwachten.

1826
Het luiden van de klokken bij begrafenissen wordt afgeschaft. Dit jaar bezwijken er in de stad (met een inwonertal van ca. 30.000) 2.844 mensen aan de besmettelijke "Groninger ziekte".
Uit het verslag van de Raad blijkt dat men van oordeel was dat: "het hier gebruikelijke luiden bij begrafenissen een nadelige en op de geest nog meer neerbuigende indruk maakt".

1837
Er wordt eindelijk een bliksemafleider op de toren aangebracht.

1884
Uit het verslag van de gemeenteraad van 1884: "Enige raadsleden hebben zich verklaard voor afbraak van de Martinitoren als de restauratie te duur wordt"!

1886
Algehele restauratie van de toren die duurde tot 25 april 1893. Alle klokken werden verwijderd en in mei 1894 weer opgehangen.

1927
Op 14 januari worden de wijzerplaten van een elektrische verlichting voorzien.

1930
Na een grondig onderzoek van de toren door de Rijkscommissie voor de monumentenzorg blijkt dat “het gevaar voor instorting niet denkbeeldig is”.

1936
Het carillon en de speeltrommel worden gerestaureerd door van Bergen uit Heiligerlee. In dit jaar begint een ingrijpende restauratie van de gehele toren, die tot na de Tweede Wereldoorlog zal duren.

1940
Van Bergen giet vijf nieuwe klokken en twee klokken van Franciscus Hemony worden vervangen. Het carillon omvatte toen 42 klokken. Er komt een nieuwe speeltrommel.
In 1941 wordt een deel van de bovenste steigers verwijderd. Pas in mei 1948 zijn alle steigers weer van de toren.

1943
Ondanks het bevel van de Duitsers om alle klokken in te leveren overleefden de Martiniklokken dit bevel.

1944
In 1944 werden in de westgevel van de toren beelden gemaakt door de beeldhouwer Willem Valk. Ze stellen voor: Bernlef, St. Martinus en Agricola. Deze westgevel was na het begin van de werkzaamheden in 1936 "vrij" gekomen omdat twee huisjes, die vroeger tegen die westkant van de toren waren gebouwd, werden afgebroken.
Eijsbouts repareert de automatische speeltrommel en het uurwerk.

1948
Oplevering van de tussen 1936 en 1948 gerestaureerde toren met een toespraak van de burgemeester. De opknapbeurt had fl. 900.000,00 gekost.

1977
Er wordt een moderne brandblusinstallatie op de toren aangebracht.

1981
In verband met de slechte toestand waarin de speeltrommel verkeert wordt deze buiten werking gesteld. Het carillon verkeert in een uiterst deplorabele toestand. Het comité "Geef onze Martini zijn stem terug" wordt opgericht met het doel gelden bijeen te brengen voor een vernieuwd klokkenspel.

1984
23 augustus: plechtige overdracht van het nieuwe carillon als geschenk van de burgerij aan het gemeentebestuur. Het comité had een kleine vier ton bijeengebracht!
Er hingen toen, buiten de luiklokken, 49 carillonklokken in de toren.

1985
Op 9 oktober worden nog twee door Eijsbouts gegoten klokken in de toren gehangen met het opschrift: "13 September 1985 kreeg de Martini zijn stem terug".
Deze fungeren als heel- en halfuur slagklokken.

1986
De zonnewijzer aan de zuidkant van de toren wordt gerenoveerd.

1994
Door een gift van de stichting "Groningen 950" aan de “Stichting Martini Beiaard Groningen" kon aan Eijsbouts opdracht worden gegeven nog een Gis-klok te gieten. De klok kreeg de naam "Kromstaart" (een munt uit de 16e eeuw), heeft een doorsnede van 198 cm, weegt ca. 5000 kg en is er ten behoeve van het carillon én van het gelui. Hij werd op 13 december (samen met vier luidklokken, afkomstig van het intussen afgebroken "nieuwe stadhuis" en gegoten door Van Bergen, Midwolda) in de toren gehangen en op 22 december plechtig door de stichting "Martinibeiaard " aan het gemeentebestuur aangeboden. Op de Kromstaart staat te lezen:

"Kromstaart mag men mij noemen, de Groningers zal ik roemen, want volk van Stad en Land, schonk mij met milde hand, 1040 - 1990 Groningen stad 950 jaar".

1995
Door een gezamenlijke inspanning van de gemeente, de provincie en het Scholtenfonds werden op 17 april (16 april was de bevrijdingsdag van de stad) nog vier door Eijsbouts gegoten luidklokken aan het gelui toegevoegd. Het geheel bestaat nu uit 49 carillonklokken en 13 luiklokken (het Ruimstraatklokje meegerekend). Van de luiklokken zijn er 3 ook op het carillon aangesloten.

2000

In dit jaar werd het internationale beiaardconcours georganiseerd.

Winnaar van het verplichte werk van Henk Alkema en voor het algehele repertoire werd Twan Bearda

en Henk Veldman won de speciale prijs voor de beste eigen volksliedbewerking

 

2003   

Op 19 dec. 2003 kon  wethouder Karin Dekker het eerste exemplaar van de CD

"d ' Olle Grieze" uitgegeven door de SMBG, in ontvangst nemen. De CD bevat populaire carillonmuziek van Stad en Ommeland  gespeeld door de stadsbeiaardier Auke de Boer op het carillon van de Martinitoren.  Ook de luidklokken  zijn door de medewerking van  het Groninger Kokkenluidersgilde te horen

 

2004  

Op 19 jan. 2003 kon het oefenklavier  gebouwd door Reinold Zijl door de voorzitter van de Stichting Klokkenspel Groningen in gebruik worden genomen; het klavion is in bruikleen gegeven aan de Muziekschool Groningen waar men voortaan ook beiaardlessen kan volgen .

 

2008   

In de zomer van 2008 werd het 16de  internationale congres van de Wereld Beiaard Federatie in Groningen georganiseerd. Het 5-daags congres was zeer succesvol en werd door een 150-tal congresgangers uit 16 verschillende landen bezocht. Bij het congres werd ook de provincie Groningen betrokken. Een blijvend aandenken is een speciale klok die op het Martinikerkhof door Simon Laudy werd gegoten en die een plaats heeft gekregen in de toren van het Provinciehuis.

           

In dit jaar kon ook een beeld-en geluidvoorziening in gebruik worden genomen; voortaan is het mogelijk om door middel van een beeldscherm onder de toren de beiaardier te zien en te horen.

           

Op 11 november 2008 werd voor het eerst het door Frans Vuursteen gecomponeerde

stuk "Ring dem bells " voor twee beiaardiers en het gelui ten gehore gebracht.

           

In 2008 kon ook het 6de Gronings Beiaardboek worden uitgegeven. Het bevat barokmuziek geschreven door componisten die allen iets met de Martini te maken hebben: Lustig, Havingha en de Italiaan Martini.

 

2009   

Van 9 t/m 12 september 2009 vierde de Stichting Martini Beiaard  haar 25-jarig bestaan met een 4-daags beiaardfestival.

           

Voor deze gelegenheid werd het door Nanne van der Werff  gecomponeerde stuk

"Zilveren Brons " door de beide stadsbeiaardiers Adolph Rots en Auke de Boer met de medewerking van 15 luiders van het Groninger klokkenluidersgilde  voor het eerst ten gehore gebracht.

           

Ook werd de tweede CD ten doop gehouden. "Martinicarillon Barok" wordt gespeeld door Adolph Rots en bevat klassieke muziek van o.a. Jacob Willem Lustig ( 1706-1796 )