1482
Deze derde toren was al klaar in 1482 en was, op het bovengedeelte na, grotendeels zoals de toren nu is. (Over de bouw van de Dom in Utrecht deed men destijds ca. 60 jaar).

Er is ook wel gezegd dat deze toren pas in 1554 gereed kwam. Hoogstwaarschijnlijk zijn ertussen 1545 en 1554 nog wel wat werkzaamheden verricht aan balustrades, de beelden en de spits.

Groningen stond omstreeks 1480 aan de top van haar macht en rijkdom. Maar de bouw van de Martinitoren moet toch, voor een stad van ca. 15.000 inwoners een gigantisch werk zijn geweest.
Men zegt dat er ruim 1 miljoen bakstenen en ca. 3000 m3 Bentheimer Stein in de toren werden verwerkt! Waarschijnlijk is de Bentheimer steen uit het Graafschap Bentheim deels per schip via het Reitdiep aangevoerd, deels per kar via Coevorden, Gieten en Zuidlaren, waarbij we moeten bedenken dat er destijds nog geen straatwegen waren.

Aan de voet was de toren van 1482 vrijwel vierkant nl. 15.10 bij 15.20 meter. Men bouwde de toren in 1469 verder naar het westen, opdat het schip van de kerk met n gewelfvlak kon worden verlengd. Daardoor kwam de toren tevens in het verlengde van de Oosterstraat te staan.

De spits was met leisteen bedekt en 102 meter hoog en eindigde in een vergulde bol waarboven zich een ruim 16 meter hoog ijzeren kruis verhief, met als windvaan een Sint Martinus te paard (zie 1627). Deze windvaan werd op 12 juli 1548 op de toren geplaatst. De hoogte van deze toren was ca. 118 meter en dus aanmerkelijk hoger dan de huidige toren. Nadat het bovenstuk van deze toren bij de brand van 1577 verloren ging, is dit later (tussen 1619 en 1627) weer opgebouwd. Deze in 1627 vernieuwde toren was, zoals nu, ca. 97 meter hoog.

Omstreeks 1550 werd Albert Uhrwarcker aangesteld; hij moest het "uhrwarck van Sunte Meerten staende holden". Hij woonde in de Tybbengang, welk straatje later Uurwerkersgang heette. (Doopsgezinden werden in de stad Tibben genoemd, vandaar waarschijnlijk Tybbengang).

Vr de toren lag het z.g. "Officierspleintje".

Zuidelijk naast de toren stonde het oude regthuis (de "Hoofdwacht"). Wanneer de hoofdwacht werd gebouwd is niet bekend, maar er is wel beweerd dat van dit gebouw al melding werd gemaakt in 1338. Anderen menen dat de hoofdwacht is gebouwd in 1509. In het gebouw werden rechtszittingen gehouden, mogelijk tot ca. 1652, toen de benedenverdieping werd ingericht als burgerhoofdwacht. Het gericht Selwerd hield op de bovenverdieping nog zittingen tot 1803.

De hoofdwacht werd tijdens de bevrijdingsdagen in 1945 ernstig beschadigd en is in 1956 geheel afgebroken. Het oude gemeentehuis in Zuidhorn (1916) is een kopie van de hoofdwacht.

Aan de voet van de Martini, voor de hoofdwacht, bevond zich vroeger de kaak of schandpaal, die in 1811 is weggehaald.
In 1891 schreef de archivaris J.A. Feith over de Grote Markt:

    "...brengen we in de eerste plaats hulde aan den ruimen blik en den schoonheidszin onzer voorzaten, die, bij het zich vormen der stad nu 7 8 eeuwen geleden, terstond in het eerste bewoonde gedeelte een marktplein van zulke regelmatige en grote afmetingen wisten aan te leggen, als waarop geen der steden van ons land in hare oude gedeelten kunnen bogen".

En C.H.Peters, de rijksbouwmeester, was, blijkens een verhandeling in 1904, niet erg te spreken over de aanpak van de bebouwing in de 16e eeuw op de Grote Markt rondom de toren. Hij schreef: "Ter kwader ure heeft men, helaas! echter goedgevonden om de rooilijn van de huizen aan de noordzijde van de Markt en vooral van het gedeelte oostwaarts van de Oude Ebbingestraat, steeds meer vooruit te plaatsen, zoodat de hoofdingang der kerk eindelijk bijna verscholen raakte op een klein pleintje, het z.g. Officierspleintje, dat de ruimte besloeg vanaf het Kreupelstraatje tot aan de toren. En alsof men zoodoende nog niet genoeg misdaan had, werd eindelijk in het jaar 1567 op dat pleintje zelf nog een huis gebouwd, het tegenwoordige koffiehuis aldaar, en eindelijk daarnaast, pal tegen de hoofdingang aan, deze formeel sluitend, nog eene torenwachterswoning! ... Wie waren de ezels, die daarvoor aansprakelijk gesteld kunnen worden? Hun namen toch behoorden geboekt te worden in het register der groote misdadigers en een tijd, waarin de burgers der stad van hun eigen bestuur z iets toelieten, z iets gedoogden, moet wel ziek zijn geweest". Aldus de kennelijk zeer verontwaardigde Peters.