Toren en het kind

Het kind aan de voet van de Martinitoren luistert naar de sonore klanken van de klok die in vijf lange bange oorlogsjaren verstild gehangen, niet te horen was.
Oorlog voorbij, voor haar en voor de toren voorbij voor allebei, bij elke slag
één vingertje er bij, keer op keer
na tien hele slagen geen vingertie meer.
Het carillon met klok en klepelspel laat zich nu ook weer horen
ieder half- en hele uur, brengt het melodieuse klanken ten gehore.
Het kleine meisje muziekaal begaafd, heeft de klanken van het klokkenspel bewaard ver vanwaar zij is geboren, klinken klanken van het carillon in de Martinitoren.

Voor Maatje van Laura