"Wie met klokken schiet, wint de oorlog niet"

Een verhandeling over het Martinicarillon in relatie tot "5 mei"


In 1661 gaf het gemeentebestuur van de stad Groningen de befaamde klokken- en geschutsgieter François Hemony de opdracht tot het maken van twee nieuwe klokkenspellen voor de Der Aa- en de Martinitoren.
In 1664 kwamen beide instrumenten gereed, het spel voor de Der Aa-toren was 28 klokken groot en woog 8.370 pond, terwijl dat voor de Martinitoren uit 32 klokken bestond, wegende 19.556 pond. Voor het verkrijgen van het benodigde klokkenspijs werden zeven luidklokken van Van Trier uit de Martinitoren gehaald en omgesmolten. Beide torens hadden vóór 1661 al een carillon. Het nieuwe carillon uit 1664 voor de Der Aa-toren ging bij een torenbrand in 1671 al ten onder. En hoewel de huidige toren zich er zeer goed voor leent, een nieuwe is er tot nu toe nog niet gekomen. Wel beschikt de Academietoren sinds 1996 over een torenmuziekinstrument in de vorm van een "grote terts" carillon, geschonken door het Representatiefonds van de Rijksuniversiteit Groningen (RuG).

Het carillon, beiaard of klokkenspel is sinds de late Middeleeuwen in menig Nederlandse stad het "stadsmuziekinstrument".
Aanvankelijk was het carillon de zgn. voorslag voor de hele- en half uurslag. Het was bedoeld om de burgerij te attenderen op de naderende uurslag. De meeste mensen hadden immers geen horloge of klok. Het werd ook wel de wekkering of rammel genoemd. Elk zichzelf respecterende stad had één of meerdere instrumenten. In Groningen is in 1525 al sprake van een beiaardier die werkzaam was in de stad. Het carillon was dus het stadsinstrument bij uitstek. In blijde en droevige tijden werden de klokken geluid en er werd op de beiaard gespeeld. Het was de beiaardier vroeger dan ook niet geoorloofd om zonder toestemming van de burgemeester de stad te verlaten, immers met zijn spel gaf hij de teneur van de dag aan. Hij kon inspelen op de actuele gebeurtenissen.
In menig instructie voor de beiaardier valt te lezen, dat deze de opdracht had te spelen "bij incompste van Princen off andere groote personagien ende ten tijde van triumphe, op alle Victorie ofte Generale Vreugden Vierdagen, tot meeste eehre dezer stadt".
Toen Prins Maurits en Graaf Willem Lodewijk in het jaar 1594, na de verovering, de stad Groningen binnenreden, werden zij daarbij verwelkomd door de stadsbeiaardier (en Martinikerkorganist) Bartold Jansen, die de 6e psalm speelde. En toen onze bevrijders, de Canadezen, op 16 april 1945 de stad binnenreden, speelde Jacob Everts het Canadese volkslied van de toren.

Het is een voorbeeld van extra gebruik van het stedelijke toreninstrument naast de wekelijkse bespelingen tijdens de markten en zondagen: volgens oude gewoonte door de generale of stedelijke overheid ingezet t.b.v. het creëren van een algemene feeststemming. In vroegere tijden werd deze mede op gang gebracht en gehouden door extra klokgelui, het bouwen van erepoorten, het laten afvuren van kanonschoten, verlichten van gebouwen door vetpotjes en het laten branden van teertonnen. Dit laatste liep in Groningen in 1577 danig uit de hand. Door de aftocht van Waalse troepen, was men zo blij, dat er teertonnen op de Martinitoren werden gebrand. De toren is toen ten dele afgebrand en 17 klokken werden vernield.
Kroniekschrijver Sicke Benninge schrijft: "1577, deselve heerlycke schoene toorn mitsampt dat wytberumpte klockenspil durch den brandt ommekomen, verneelt ende verdorven is". Men laat er geen gras over groeien. Klokkengieter Hendrik van Trier uit Delft krijgt meteen een opdracht tot het maken van elf nieuwe luidklokken. Voor het carillon sluit men in 1577 een contract af met Adriaen Steylaert uit Mechelen voor een groot clockenwark, met clocken up goeden claren perfecten thoon clanck ende accort'.

Klokkenvorderingen, of wat minder welwillend geformuleerd klokkenroof, is een gebruik dat al minstens tot het begin van de 15e eeuw teruggaat. Het opeisen van de torenklokken ten tijde van oorlog was niet zo verwonderlijk. Immers het brons was vooral dan nodig voor het gieten van kanonnen, hoewel in de geschutsgieterij het brosse klokkenbrons niet zondermeer bruikbaar was.
In het jaar 1580 doen Groningse soldaten klokkenrooftochten naar onder meer Appingedam (10 klokken), Farmsum (6 klokken), Midwolda en Obergum. In de jaren 1578-1580, toen na de hereniging in 1576 van alle Nederlandse gewesten door de Pacificatie van Gent er nog slechts één zorg scheen, namelijk de Spanjaarden van het lijf te houden. Voor deze vrijheidsstrijd werden de klokken, maar ook andere kerkelijke goederen geofferd.
Iets soortgelijks gebeurde rond 1795 door de Fransen in de Zuidelijke Nederlanden. "Laat de vrijheid aan het bijgeloof de schat ontrukken, waaruit zij de wapens zal smeden tegen het fanatisme van koningen en priesters". Aldus oordeelde het dictatoriale Comité de Salut Public tijdens het schrikbewind van de Franse Revolutie. (De kloosters werden in 1796 officieel opgeheven).
En om dichter bij huis te blijven: op 10 oktober 1942 sprak Seys Inquart tijdens een rede in Utrecht tot al degenen die zouden protesteren tegen de vordering van kerkklokken ten behoeve van de Duitse oorlogsindustrie "Mijnheer, ik verwonder mij zeer, dat gij niet gekomen zijt om den Duitschen soldaat dit koper aan te bieden, opdat hij het bolsjewisme van uw grenzen zal afhouden". Een sinister stuk van misleiding. De klokkenvordering door de Duitsers gebeurde op een schaal die nog nooit eerder in Europa had plaatsgevonden. In 1937 was reeds door de Nederlandse Klokken- en Orgelraad een lijst samengesteld van kerkklokken die in tijd van oorlog geofferd zouden worden'. Immers kerkklokken waren een rijke bron aan grondstoffen voor de oorlogsindustrie. Rond 1940 waren er alleen al in Nederland circa 9000 torenklokken met een gezamenlijk gewicht van 3.450.000 kg. Zij waren door de Inspectie Kunstbescherming ingedeeld met een stempel van A, B, C, M (monument) of P (Prüfung). Slechts 25% mocht blijven hangen, de rest zou worden afgevoerd. Toen in 1945 de balans kon worden opgemaakt, bleken er 4660 klokken (1.918.000 kg = 55,6%) verloren te zijn.

Natuurlijk waren er vindingrijke oplossingen om klokken te kunnen behouden. Een mooi voorbeeld vinden we in Groningen. Alle klokken van de Martinitoren hebben gedurende de oorlog in een uitzonderingspositie verkeerd. Het klokkenspel was beschermd, doch werd met vordering bedreigd. De Ortskommandant gezeteld in het nabij gelegen Scholtenshuis aan de Grote Markt, wilde het klokkenspel behouden als een privé-speeldoos'.
Toen dat uitlekte, heeft een slimmerik, stellig de stadsuurwerkmaker Veenhoff, verbindingsdraden aangebracht tussen de bestaande hamers van de grote luidklokken en de speeltafel van het carillon. Zo werd de indruk gevestigd, dat de luidklokken die op 40 meter hoogte hangen, deel uitmaakten van het carillon dat op 80 meter hoogte hangt.
Niemand had door dat deze installatie niet functioneerde. Totdat er een aannemer kwam, die de grote klokken wilde weghalen. Er ontstond een strijd tussen de Ortskommandant en de Rüstungsinspektion, waarbij de Ortskommandant eind 1943 als overwinnaar te voorschijn kwam. De voorwaarde was echter, dat er per week een groot aantal keren gespeeld moest worden. De stadsbeiaardier Jacob Everts heeft zich in die jaren veel laten horen. Met grote toewijding werden er "neutrale" liederen over de stad gestrooid, waarbij vele Nederlandse volksliedjes een vertaalde Duitse titel meekregen.

De Stichting Martinibeiaard Groningen stelt zich tot doel om het carillon bij vele gelegenheden, in de traditie die zojuist is geschetst, te laten klinken.

Auke de Boer
Beiaardier